Nadat ze door meneer Sluyter, haar leraar in groep 8, werd bestempeld als “mavo-klantje”, maar met gemak het vwo doorkwam, realiseerde actrice en publicist Anousha Nzume zich dat ze was ondergeadviseerd. En zij niet alleen: veel vrienden van kleur hadden hetzelfde meegemaakt. Hoe kan het dat racisme in het Nederlandse onderwijs zo in stand wordt gehouden?

"Op school worden kinderen van kleur beoordeeld op prestatie en witte kinderen op potentie. Dat is oneerlijk."

Brainwash gaat in gesprek met actrice en publicist Anousha Nzume. Na Hallo witte mensen (2017), waarin ze beschrijft hoe racisme in Nederland eruitziet, is er nu Hallo witte scholen (2023), dat specifiek over racisme in het onderwijs gaat. Een thema dat ze al aan bod wilde laten komen in haar eerste boek, maar dat een te groot onderwerp bleek om in een hoofdstuk te bespreken. Charisa Chotoe en Calvin van Laaren gaan met haar in gesprek over segregatie en kansenongelijkheid in het Nederlandse onderwijs.  

lezen

Hoe heb je je eigen schooltijd ervaren?

“Ik ben het kind van twee hoogopgeleide ouders, mijn vader is Kameroens, mijn moeder Russisch en ze zijn allebei universitair geschoold. Je zou als docent kunnen denken: 'Goh, die ouders zijn slim, heel werelds.' Maar zo ben ik nooit behandeld. Mijn ouders scheidden toen ik jong was. Op school werd mijn werkende moeder als moeilijk en intimiderend gezien, met haar zwaar Russische accent. Ze hertrouwde met mijn Jordanese stiefvader, papa Co, die bij de reinigingsdienst werkte. En ik was dus dat "rare bruine meisje met de grote mond." Zo werd ik behandeld gedurende mijn schooltijd.”

In je boek maak je onderscheid tussen twee oorzaken die ten grondslag liggen aan het racisme op de Nederlandse scholen: eerst is er segregatie, die vervolgens ook weer ongelijkheid in stand houdt. Je spreekt zelf van ‘segregatie vanaf de wieg’. Hoe bedoel je dat?

“Het gaat om meerdere mechanismes. Een van de aspecten is dat kinderen van kleur en witte kinderen worden gescheiden vanaf de wieg, omdat je als peuter van twee jaar oud al de indicatie kan krijgen voor een voorschoolse educatie van het consultatiebureau. Kinderen met een zogenaamde taalachterstand worden naar een aparte kinderopvang doorverwezen; de voorschoolse opvang. Dat luidt het begin in van een scheiding tussen “witte” en “zwarte” scholen, omdat de meeste kinderen van kleur via de voorschoolse opvang doorstromen naar de basisschool in hetzelfde gebouw.

“Zwarte” scholen worden ook bestempeld als ‘minder’, omdat ouders van kleur zogenaamd minder zouden kunnen bijdragen. Op de meeste witte scholen zijn de vrijwillige ouderbijdragen bijvoorbeeld veel hoger. Ook zijn witte scholen veelal populairder bij leerkrachten om te gaan werken, omdat ze meer potjes hebben, meer connecties met stadsdelen, dus meer gedaan weten te krijgen. Dit kan allemaal bijdragen aan een verschil van kwaliteit tussen “witte” en “zwarte” scholen.

Schaduwlijsten, waarbij ouders al vroeg hun kinderen konden aanmelden op een aparte lijst op de school zelf, voor een populaire basisschool, hebben die segregatie lang versterkt. Daar wordt nu beter op gelet, maar in de dagelijkse praktijk gebeurt het nog steeds. Het is heel lastig om te controleren en hand te haven.”

Na die scheiding van scholen is er in de klassen onderling ook sprake van ongelijkheid, stel je. Er wordt altijd gemeten met twee maten, hoe bedoel je dat?

“We meten constant met twee maten vanwege wat we in Nederland zien als een hoge en een lage cultuur. Stel: er komt een nieuw wit kind in de klas, uit Frankrijk, dan zien docenten dat vaak niet als een probleem. Dan lijkt niemand zich zorgen te maken over dat die jongen nog niet zo goed Nederlands spreekt. Waarom geldt dat dan niet voor migratiekinderen van kleur? Alsof dat niet bijtrekt.

Als je ouders hebt die regelmatig naar Frankrijk of Parijs gaan, dan is dat een voordeel. Iemand komt vaak in aanraking met een andere cultuur dan de Nederlandse en spreekt een tweede taal. Maar als jouw ouders vaak naar Casablanca gaan, wordt dat niet als een voordeel gezien.”

De ondertitel van je boek is ‘Klasse heeft ook een kleur’. Waarom dat ‘ook’?

“We spreken vaak over klassen en kansenongelijkheid in termen van sociaaleconomische positie en welke opleiding je ouders hebben gedaan. Maar dat is hoe het er vooral in de provincie uitziet. Op plekken in Nederland waar meer mensen van kleur zijn, zoals in de stad vaak het geval is, zitten die mensen vaker in een lagere klasse, ongeacht de opleiding van de ouders zoals in mijn geval. Dat klasse ook een kleur heeft, wordt vaak vergeten.”

Dat noem je kleurenblindheid.

“Ja, er is een ontzettende angst in Nederland om het beestje, racisme, bij de naam te noemen. Het is bijna erger om iemand racist te noemen, dan dat iemand racistisch is.

In Nederland zetten mensen zichzelf graag op een bepaalde manier neer. Kijk naar Indonesië, waar een bloedige vrijheidsstrijd plaatsvond in de jaren 40. Dat noemen ze dan politionele acties in de geschiedenisboeken, niet eens oorlog.

Emeritus hoogleraar sociale en culturele antropologie Gloria Wekker legt uit in haar boek Witte Onschuld (2017)  dat we het in Nederland, door ons zelfbeeld, heel lastig vinden om toe te geven dat we nou eenmaal racistisch zijn. Dat werkt door op school, waar je ziet dat kinderen van kleur worden beoordeeld op prestatie en witte kinderen op potentie. Dat is oneerlijk.”

De Citotoets is daar een goed voorbeeld van. In je boek schrijf je dat kinderen van kleur de Citotoets vaak beter maken dan verwacht; het advies van de docent was lager. Is de Citotoets dan een gelijkmaker?

“De Citotoets is heel dubbel. Het is een momentopname om te kijken hoe een kind het doet en of de school het dus goed heeft gedaan. En niet: heeft het kind de stof helemaal begrepen? Zo ja, dan kan hij naar een hoog schoolniveau. Zo wordt de toets nu wel benaderd.

Daarbij is de Citotoets ook heel talig en cultuurgebonden. Voorheen waren er vragen als: “Hoeveel haringen heeft deze tent?” Als je nog nooit hebt gekampeerd, dan kan je die vraag al niet begrijpen.

Maar de toets is dubbel: voor mij was het een redding, omdat ik de toets goed had gemaakt. Maar als het oordeel van de leraar leidend is, zorgt dat soms voor veel omwegen voor scholieren om op het niveau te komen waar ze eigenlijk thuishoren.

Het komt erop neer dat ik toch tegen dit soort manieren van toetsen ben. Er zijn heel veel manieren om erachter te komen of kinderen snappen wat er wordt uitgelegd.”

Die Citotoets is iets van het Nederlandse toetsingsmodel. Jij woont al een tijdje nu in de Verenigde Staten. Wat valt je op aan het onderwijssysteem daar?

“In de VS zijn er allerlei problemen; er is veel geweld en veel racisme. Laat ik dat vooropstellen. Maar daar zijn wel veel meer docenten en directieleden van kleur, waar kinderen zich in kunnen herkennen; ze voelen zich veel meer gerepresenteerd en uit onderzoek blijkt ook dat dat van belang is voor hun eigen baanperspectieven.

De docenten daar kijken anders naar hun leerlingen. Het is een land van immigranten en veel mensen zijn meertalig. Als jij geen Engels spreekt, is dat niet zo’n probleem, er wordt niet krampachtig vastgehouden aan een taal op school.

Daarnaast kan je vakken volgen op verschillende niveaus. Dan zit je als leerling veel eerder met verschillende kinderen in de klas en op school. Verschillende opleidingsniveaus leven meer door elkaar heen.”

In Nederland gebeurt er wel al van alles in de onderwijswereld om die segregatie en ongelijkheid aan te pakken. Je noemt in je boek al een paar van die bottom-up initiatieven die er zijn. Wat zijn daar goede voorbeelden van?

“Stichting Fawaka kijkt naar het Nederlandse lesmateriaal. Waarom we niet leren over de waarheid van de politionele acties in Indonesië. Dat is maar een paragraaf in het geschiedenisboek, terwijl de Gouden Eeuw zoveel aandacht krijgt. De leden van de stichting proberen het lesmateriaal uit te breiden en te vernieuwen.”

Van bovenaf zijn instituties volgens jou doordrenkt van racisme. Is systeemverandering te lastig en moeten we het dan hebben van dit soort initiatieven van onderaf?

“Ja, zeker! Het ministerie van OCW bestaat grotendeels uit witte, hoogopgeleide mensen. Hun besluitvorming gaat over de kinderen van kleur, maar ook over kinderen uit de arbeidersklasse. Maar daar staan zij heel ver vanaf en dat trekt ook niet snel bij.”

Je draagt het je boek voornamelijk op aan de ouders van kleur. Wat zou je ze willen meegeven?

“Mijn researcher voor dit boek Arzu Aslan, een docent van kleur, gelooft ook heel erg in die kracht van onder naar boven. Ouders van kleur moeten samenkomen en witte ouders moeten onze bondgenoot worden. Dat is een luxe, dat snap ik. Sommige ouders werken hard, zeker sommige ouders van kleur, die hebben al veel stress. Maar je kan veel meer samen organiseren dan je denkt.”

En wat zou je witte docenten als tip willen meegeven?

“Bij twijfel: overadviseer! Daarbij kan het gunstig zijn om wat je als negatief ziet om te draaien. Denk niet: 'Die mensen komen uit een ver land en het kind heeft een taalachterstand’. Denk bij twijfel juist: 'Hee, die familie woont in dit land, ze willen hier zijn. Daarnaast kan het hele gezin er enorm baat bij hebben wanneer het kind naar een hoger niveau gaat. Leg het ook voor aan de ouders, en geloof ze wanneer ze zelf ook vinden dat hun kind het vwo aankan.

Mensen, en dus ook docenten, kunnen werken aan vooroordelen. Ik heb ze zelf ook, maar dat weet ik. Je daar bewust van worden, is een eerste stap.”

Interviews elke twee weken bezorgd in je inbox?
abonneer je op onze nieuwsbrief

meer ongelijk onderwijs