In Brainwash Talks van Human delen invloedrijke denkers, schrijvers, kunstenaars en wetenschappers verrassende ideeën voor persoonlijke en maatschappelijke problemen. Deze keer Renée Frissen, oprichter van OpenEmbassy, die we de vraag voorleggen welk probleem er over vijftien jaar de wereld uit moet zijn.


Woensdag ga ik op de koffie bij Wegahta. Wegahta komt uit Eritrea. Zij is naar Nederland gekomen, achter haar man aan. Haar man is eerst gevlucht en daarna volgde zij. Hij heeft een huis ingericht voor hen en toen zij er eenmaal was, kwamen ze er na een maand achter dat hun relatie op knappen stond. Dat het niet werkt in Nederland. Hij heeft haar het huis uitgezet. Zij kent hier niemand. En gelukkig hebben we in Nederland zoiets als de daklozenopvang of de maatschappelijke opvang. Daar komt Wegahta ook terecht. Het idee is dat iedereen die in de daklozenopvang belandt, daar zo snel mogelijk weer uitkomt.

Wat hebben we bedacht voor iemand als Wegahta, die verder ook helemaal niemand om zich heen heeft? De daklozenopvang spaart een stukje voor haar, van haar inkomen: haar uitkering en zorgtoeslag. Net zolang totdat ze genoeg geld heeft om borg en huur te kunnen betalen voor een woning. Alleen is er iets niet helemaal goed gegaan met de zorgtoeslag. De man van Wegahta zegt dat hij het niet heeft, de Belastingdienst zegt dat dat wel zo is – maar zij heeft niks. En nu zit zij dus al tien maanden in de daklozenopvang, komt erachter dat er niet voor haar gespaard is, en niemand kan haar een perspectief bieden. Überhaupt kunnen ze haar vrij slecht vertellen wat er is, want zij spreekt Tigrinya, een taal die ze in de daklozenopvang niet spreken.

In Nederland kost een jaar lang verblijven in een daklozenopvang 12.000 euro, terwijl wat Wegahta nodig heeft bij elkaar ongeveer 1.200 euro kost. Het systeem helpt haar niet. Dan geven we met elkaar dus 12.000 euro uit om een probleem van 1.200 euro op te lossen.

Het systeem helpt haar niet. Dan geven we met elkaar dus 12.000 euro uit om een probleem van 1.200 euro op te lossen.

In dezelfde stad als Wegahta woont ook Hussein uit Syrië. Hij is gevlucht vanuit Damascus naar Turkije. In Damascus heeft hij een opleiding tot accountant gevolgd, en werkte hij ook als accountant. In Turkije moet hij natuurlijk opnieuw beginnen. Hij leert de taal razendsnel want hij heeft niets anders en hij kan aan de slag als elektricien. Zo verdient hij z'n geld. Zo kan hij uiteindelijk in Nederland terechtkomen. Hier in Nederland wil hij door. Hij denkt: hier kan ik accountant worden, maar in de tussentijd kan ik als elektricien werken. Inmiddels zit Hussein al vier jaar lang thuis, omdat hij een MBO 3-opleiding nodig heeft en het wordt hem verteld dat daar heel goed Nederlands voor nodig is. Dus Hussein komt hier niet aan de bak. En dat terwijl hij eigenlijk een goede elektricien is.

Wij hebben een heel systeem hebben opgetuigd voor deze mensen dat totaal inefficiënt is. Want mensen zoals Wegahta en Hussein, en vele anderen met hen, komen in drie realiteiten terecht in Nederland. De eerste realiteit is de verzorgingsstaat. Dat is prachtig, want in Nederland hebben wij een sociaal vangnet ingericht voor de mensen die er zelf niet kunnen komen. En die verzorgingsstaat is bedacht vanuit het perspectief van ondersteuning. Als jij heel lang in Nederland hebt gewoond en geleefd en het lukt je niet om op jezelf te staan, dan hebben wij een systeem bedacht waardoor we je kunnen helpen.

Alleen zit er ook een logica in de verzorgingsstaat die redeneert vanuit gebrek. We denken dat mensen die in de verzorgingsstaat terecht komen iets nodig hebben. Dat is vaak ook zo. Maar bij vluchtelingen ligt het ingewikkelder. Mensen die gevlucht zijn komen in een AZC terecht en vragen een verblijfsstatus aan. Als ze die krijgen worden ze toegewezen aan een willekeurige gemeente en komen ze bij die gemeente binnen. In dat verzorgingsstaat-apparaat. Deze groep mensen is geen homogene groep. Deze mensen zijn hoogopgeleid of lager opgeleid, analfabeet, ouders of hebben geen kinderen, en ze zijn hier alleen of met een partner. Zelfs het feit dat ze gevlucht zijn maakt ze niet vergelijkbaar, want die redenen lopen ook uiteen. Dus het enige wat deze groep gemeen heeft, is het feit dat ze niet geboren zijn in Nederland. En toch stoppen wij deze mensen als een soort homogene massa onder het label vluchteling in onze verzorgingsstaat. Dat werkt niet altijd even goed.

Nog een voorbeeld: Hassan, beroemd filmmaker in zijn land van herkomst, veel gewerkt voor de televisie en internet. Hij wil heel graag weer aan de slag in Nederland. Net als velen met hem heeft hij een klantmanager, een jobcoach en een vrijwilliger die hem daarbij helpen. En de jobcoach zegt tegen Hassan: 'Het was niet makkelijk. We hebben echt buiten onze netwerken moeten zoeken, maar we hebben we iets voor je gevonden. Je mag maandag beginnen in de Mediamarkt.' Het is niet zo dat Hassan niet in de Mediamarkt wil werken. Maar verder hebben ze geen enkel perspectief voor hem bedacht. Niemand heeft hem uitgelegd hoe je vervolgens ook daadwerkelijk weer als filmmaker aan de slag kan. We helpen Hassan niet.

De tweede realiteit waar mensen in terechtkomen, naast de verzorgingsstaat, is het inburgeringsstelsel. We hebben in Nederland afgesproken dat als jij hier naartoe vlucht en je mag blijven, dat je moet inburgeren. Daar hangt een examen aan vast. Haal je dat niet, dan staat daar een boete op. Het inburgeringsexamen ziet er ongeveer zo uit dat je allerlei opleidingen kunt volgen zodat je de taal kunt leren. Allerlei elementen met als doel: inburgeren. Dat is natuurlijk prachtig, het idee dat wij mensen de gelegenheid geven om de taal te leren en om Nederland te leren kennen. Dat is in de kern heel nuttig voor deze mensen.

Renée Frissen in Brainwash Talks

We hebben dat zo ingericht: mensen die naar Nederland komen, mogen 10.000 euro lenen van DUO. En als ze slagen dan wordt dat een gift. Zij mogen dat op de vrije markt besteden. Dus heel toevallig kosten nu al die inburgeringscursussen bij elkaar min of meer 10.000 euro. Vrije marktwerking. En wat gebeurt er vervolgens? Mensen komen in klaslokalen terecht. Hele geordende klaslokalen met allemaal rijtjes stoelen, met allemaal anderen die ook gevlucht zijn. En dan zitten ze daar met mensen die laag geletterd zijn, hoogopgeleid zijn, al een beetje Engels spreken, geen Engels spreken. Ongetwijfeld doe ik veel goede taalscholen tekort, maar het is wanorde wat daar gebeurt.

Vervolgens stoppen we die mensen dus zo'n vier jaar lang en helemaal hermetisch afgesloten in zo'n programma, in klaslokalen met professionele Nederlanders bij de gemeente, om aan het einde ingeburgerd te zijn. In feite sluiten we mensen dus af van de samenleving om in die samenleving te integreren.

En dan komen ze in de derde realiteit terecht. Dat is bij ons, de samenleving. En dan zien we twee dingen. Het eerste is dat de nieuwkomer zelf niet goed is ingericht op de samenleving, en de ontvangende samenleving heeft geen idee wat ze met die nieuwkomer aan moeten. Want de nieuwkomer heeft in dat klaslokaal eigenlijk heel weinig taal geleerd die hij kan gebruiken op bijvoorbeeld de werkvloer. Hussein heeft niet geleerd hoe je als elektricien op de werkvloer je taal moet gebruiken. En de ontvangende samenleving verwacht op de een of andere manier dat als mensen vier jaar lang een inburgeringscursus mogen volgen, dat ze af zijn, dat ze een perfecte Nederlander zijn. Zo ben je in het Nederlandse systeem ofwel een hulpeloze vluchteling, ofwel af als Nederlander. Daar zitten heel weinig grijstinten tussen. En wat wij in feite met elkaar doen is dat wij ambitie verspillen, geluk verspillen, tijd verspillen, maar ook geld verspillen.

Het kan zijn dat je door mijn verhaal geraakt wordt vanuit een bepaald ideologisch perspectief: vanuit een humanistisch perspectief of een politieke opvatting. Het kan zijn dat je het – net als ik – echt waanzinnig vindt dat er mensen uit landen komen waar er oorlog heerst en we hen er zwakker voor laten staan dan toen ze binnenkwamen. Dat zij een plek ontvluchten waar zulke afschuwelijke dingen aan de hand zijn, dat mensen – ouders zoals ik – hun kleine kinderen van een paar maanden oud liever op rubberen bootjes zetten dan dat zij hen in het land achterlaten, maar hier niet de hulp krijgen die ze nodig hebben. Want wij hebben een systeem ingericht wat mensen zwakker maakt, en dat de mensen die daadwerkelijk zwak zijn, zoals Wegahta, buiten de boot doet vallen.

Het kan ook zijn dat je dat niet zoveel kan schelen en dat is ook goed. Het kan zijn dat je het misschien wel ingewikkeld vindt dat allerlei mensen naar Nederland vluchten. Maar dan kan het zijn dat je in mijn verhaal iets herkent, namelijk dat het waanzinnig is dat wij zoveel geld geven aan een systeem dat dit als uitkomst heeft. Dat wij 12.000 euro betalen voor een daklozenopvang, terwijl we met 1.200 euro ook geholpen zouden kunnen zijn.

Vluchtelingenkinderen op een basisschool in Leersum

Maar hoe moet het dan wel? Laten we beginnen bij degenen die verantwoordelijk zijn voor dit systeem. Ik noem ze even voor het gemak de overheid. Het is natuurlijk veel breder, maar laten we zeggen dat de overheid hier iets kan doen. Dan zijn er wat mij betreft twee opties. De eerste optie is dat de overheid zegt: 'Wij zijn van die inburgering. Wij zijn van de integratie. Wij kunnen dit.' Als de overheid oprecht vindt dat dat zo is, dan zullen ze hun hele benaderingswijze moeten omdraaien en zullen ze voor het eerst aan mensen zelf moeten vragen wat zij nodig hebben. Dan zullen ze moeten omarmen dat een homogeen systeem niet werkt. Dat het om individuen gaat en dat zij, alleen al vanwege het feit dat ze hier hebben kunnen komen, ervaring hebben in wat wel werkt.

Het kan ook zo zijn dat de overheid na dit verhaal denkt: 'Nee. Daar zijn we niet. Dat gaan we niet doen.' Het kan zo zijn dat de overheid denkt dat het integratieverhaal eigenlijk meer aan de samenleving toebehoort. En als dat zo is, als de overheid zich dat realiseert dan zou ik zeggen: word kampioen in bestaanszekerheid. Zorg ervoor dat je klassieke overheidstaken werken, dat juist zo iemand als Wegahta, die zo'n sociaal vangnet het hardst nodig heeft, het ook daadwerkelijk krijgt.

Dan: wat kunnen wij doen? Ik ga er vanuit dat het feit dat je dit leest, betekent dat je een bepaalde mate van betrokkenheid hebt, en dat je je betrokken voelt bij deze vraagstukken. En dat je ook nog wel een bepaalde mate van invloed hebt. Ik zou eigenlijk maar één ding willen vragen, en dat is: open de gelederen. Wees inclusief. Ga morgen naar je werk, naar je vrijwilligerswerk, naar je vriendenkring, en denk na wat er om je heen zou anders kunnen zijn. Vanuit het idee dat er mensen zijn die iets toe te voegen hebben.

En dat deze mensen nog niet perfect Nederlands spreken en dat het cultureel gezien misschien een beetje ingewikkeld gaat worden. Want integratie is niet leuk, het is schuren, het is ingewikkeld. Op de eerste plaats voor die mensen zelf, maar ook voor jou. Als je daar open voor staat, dan maakt het eigenlijk niet uit welke keuze die overheid maakt, en of ze voor de eerste of tweede optie gaan. Want als wij daar met elkaar samen achter gaan staan, dan hebben wij over vijftien jaar geen enkel probleem meer.