Ik ben nog nooit zoveel in de natuur geweest als in het afgelopen jaar. Verrassend is dat natuurlijk niet. Veel anders was er ook niet echt te doen. De natuur was mijn toevluchtsoord, mijn escape.


Ik was uiteraard niet de enige. Zelfs de meest verstokte stedeling voelde zich afgelopen jaar genoodzaakt om regelmatig het bos in te trekken of het strand op te gaan. Soms in zulke grote aantallen dat gebieden werden afgesloten of toegangswegen werden geblokkeerd. Boswachters en 'groene boa's' keken met verbazing toe en ergerden zich over de hoeveelheid rotzooi die werd achtergelaten. 'Als ik de afgelopen maand niets had opgeruimd, was de Veluwe gewoon een bende of een zwijnenstal geworden', zei een boswachter in september tegen de NOS.

Hoe kan het dat ik zo weinig aandacht heb gehad voor veruit het merendeel van het leven op aarde? Dat ik nauwelijks onderscheid kan maken tussen een eik en beuk?

Mijn groeiende behoefte om de natuur in te trekken begon eigenlijk al eerder. Zo'n vijf jaar geleden, toen we een straathond uit Spanje adopteerden. Overigens niet mijn idee, maar een langgekoesterde wens van mijn vriendin. De hond was mijn eerste introductie in de edele kunst van het wandelen. Daarvoor deed ik dat ook wel, maar sporadisch. Ik was een 'cultuurmens' en mijn interesse ging voornamelijk uit naar kunst, muziek en sport. Menselijk gedoe. De natuur bezocht ik wel, maar dat was oppervlakkig van aard: ik zag het voornamelijk als een prettig decor. Een omgeving waar ik doorheen kon lopen, zonder al te veel oog te hebben voor alle verschillende kleuren en geuren. Ik was biosferisch blind, zou je kunnen zeggen.

Maar al die honderden wandelingen hebben langzaam mijn ogen geopend voor de enorme gelaagdheid en rijkdom van al het leven in de bossen, stadsbossen, parken en andere landschappen waar ik doorheen loop. Ik begon erover te lezen en langzaamaan nam ik meer details en veranderingen waar. Zo viel op hoe zwammen en schimmels goed gedijen op dode boomstammen, hoe snel bodembedekende vegetatie zich kan herstellen na een heidebrand, hoe de herfst niet plots zijn entree doet, maar in diverse tussenfases het bos transformeert van een groene oase tot nat, sompig en kleurrijk en hoe ganzen tegenwoordig in ons land arriveren om te overwinteren in plaats van door te vliegen naar het warme zuiden. Ook merkte ik al snel op steeds meer gehecht te zijn geraakt aan mijn dagelijkse wandelingen. Tot op het niveau dat ik chagrijnig werd als mijn vriendin 's ochtends een keer de hond wilde uitlaten. Alsof er iets van mij 'afgepakt' werd.

Dit alles kan met ouder worden te maken hebben, de behoefte aan meer rust in een hectisch gezinsleven. Maar daarmee doe ik het denk ik te kort. Het is ook een proces van ontwaken, een confrontatie met mijn eigen blindheid voor al het niet-menselijke, mijn (aangeleerde) antropocentrische blik. De Amerikaanse bioloog Edward O. Wilson introduceerde de term 'biofilie', wat letterlijk 'houden van het leven' betekent. Mensen hebben volgens hem van nature de neiging een band te zoeken met de natuur en met andere levensvormen, maar door onze veelal stedelijke manier van leven wordt dit behoorlijk bemoeilijkt. Volgens mij begin ik dit nu net pas te ontdekken.

Wandelaars in het Bergerbos

Afgelopen jaar kwam ik dus uit de kast als natuurliefhebber. En uit de kast komen is niet makkelijk. Mijn eerste reflex is dan ook om mijzelf meteen in te dekken, te nuanceren. 'Ja, ik weet: dit klinkt zweverig' of 'Ik ben nu niet opeens een geitenwollen sok, hoor'. Of nog erger: 'een misantroop'. Maar dit schijnt typisch te zijn voor een coming out: snel weer van het podium af willen stappen als je er net bent op gaan staan. Maar daarvoor is het nu te laat.

De toenemende zichtbaarheid van de gevolgen van klimaatverandering en de realisering dat het erg slecht gesteld is met onze biodiversiteit, hebben sterk bijgedragen aan mijn ontwakende biofilie. Op het moment dat alles in rap tempo begint te veranderen, te verschralen zelfs, begin ik voor het eerst echt wakker te worden. Alsof een dierbare op het sterfbed ligt, en ik mij opeens besef dat ik niet genoeg tijd met diegene heb doorgebracht.

Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Hoe kan het dat ik zo weinig aandacht heb gehad voor veruit het merendeel van het leven op aarde? Dat ik nauwelijks onderscheid kan maken tussen een eik en beuk? Dat ik van de honderden vogelsoorten die er in Nederland zijn maar een handjevol ken? Dat ik geen flauw idee heb wat er allemaal onder mijn voeten, in de bodem, voor leven is?

Als ik dit schrijf, schaam ik mij bijna voor mijn decennialange natuurblindheid. En besef ik tegelijk: ik moet snel bijspijkeren, want mijn zoon is alweer twee en het is ook mijn taak hem mijn ontluikende biofilie bij te brengen. Het fascinerende van het afgelopen jaar was dat dit ontwaken in een versnelling is geraakt. De enorme beperking van onze bewegingsvrijheid door de lockdown heeft de deur bij mij wagenwijd opengezet voor het verkennen van de natuur. In ruil voor een inperking van mijn vrijheid heb ik meer verbondenheid gekregen met het (directe) leven om mij heen. Ik ben mij meer gaan interesseren in de plekken waar ik leef en al hetgeen waar ik tot voor kort weinig oog voor had. Nu weet ik: er ligt een nieuwe wereld aan mijn voeten.