Elke zomer span ik een hangmat aan de twee uiteinden van het balkon van de bovenburen, en ga erin liggen tot het donker wordt. De avond begint vol goede voornemens, een stapel boeken ligt al klaar, maar ik dwaal snel af en begin voor me uit te staren. Als ik maar lang genoeg wacht, elke zomer opnieuw, komen ze tevoorschijn; eerst schiet er eentje voorbij, dan een tweede. Een voor een trekken ze diagonale lijnen door de lucht. Vleermuizen.


Sommigen zijn er doodsbang voor. Ik kan me wel iets bij die angst voorstellen. De vleermuis kan zo onverwachts wegschieten in het schemerdonker, met z'n woest flapperende vleugels, en die verhalen over vampiers zitten ook in ons culturele geheugen. Vleermuizen worden nog altijd gezien als slechte voortekens, zoals zwarte katten of gebroken spiegels.

Het ging dus al niet zo goed met hun reputatie, maar sinds de uitbraak van COVID-19 is er een extra dosis angst en haat bovenop gekomen. Van India tot Peru en Cuba, wereldwijd trekken mensen er met waterkanonnen en fakkels op uit om vleermuizen te doden, uit angst voor het coronavirus. Geen wonder, als de media maandenlang met koppen komen als De vleermuis: hoofdverdachte van alweer een massamoord en Zeker tachtig doden – coronavirus waarschijnlijk verspreid door vleermuizen.

Het grootste probleem van klimaatdestructie is de geleidelijkheid ervan. Je went aan de veranderende wereld, omdat je zelf ook verandert.

Zodra je meer leert over de vleermuis, kun je haast niet anders dan ze bewonderen. Het zijn magische dieren: ze vliegen met een snelheid van 95 km per uur, met hun sonar horen ze niet alleen waar iets is, maar ook welke kant het op beweegt en hoe snel. Ze worden geboren met een sonar waar legers jaloers op zijn, en die gebruiken ze om wel duizend muggen per nacht te eten.

En dit is het probleem: dat we een ander dier pas echt lijken te kunnen waarderen, of zelfs tolereren, wanneer het van nut is voor ons.

De Amerikaanse socioloog Colin Jerolmack, die onderzoek deed naar de beeldvorming van duiven in New York, gelooft dat onze afkeer van bepaalde dieren niet zozeer te maken heeft met de eigenschappen van het dier zelf (duiven zijn niet de enige dieren die op straat poepen, eten stelen of de mens in de weg vliegen), maar eerder met ons concept van de stad.

In de zogenaamde 'denkbeeldige geografie' van steden, bestaat er een grens tussen de schone, georganiseerde beschaving en de wilde, ongecontroleerde natuur, zo legt hij uit in dit interview van Matt Soniak. We kiezen bepaalde stukken land uit, en 'maken' er natuur van: een park hier, een heg daar, misschien een tiny forest. Vervolgens verwachten we dat de natuur zich ook netjes aan die afspraken houdt.

Eekhoorntjes in het park zijn schattig, tot ze het voer van de zangvogels stelen. Vossen zijn leuk, zolang je ze niet 's morgens op de stoep tegenkomt, waar ze een opengescheurde vuilniszak leegeten. Mieren zijn prima totdat ze in lange rijen over je aanrecht paraderen. De dieren kruipen onze gebouwen in, soms zelfs zonder dat we het door hebben, en het maakt ons nerveus.

Deze zomer heb ik nog geen vleermuis gezien. Soms schrik ik op van iets dat boven mijn hoofd wegschiet, maar als ik beter kijk, blijkt het toch weer een zwaluw te zijn. Ik begin te googelen. Misschien is het klimaatdestructie. Misschien zijn er te weinig insecten, door pesticiden. Dan valt mijn oog op een derde verklaring. De isolatie van spouwmuren. Ik kijk mijn vriend aan. Hij knikt verslagen: dat heeft de VvE afgelopen jaar geregeld.

Even is het stil. Ik stel me de tussenmuren van dit huis voor, de vleermuizen die wakker worden, proberen weg te vliegen, maar geen uitgang kunnen vinden. Hoe ze tegen de wanden aanschieten, steeds opnieuw proberen te ontsnappen, maar geen enkel gaatje kunnen vinden. Hoe ze sterven van de honger. Hoe ze daar nu liggen, tussen de muren, dood, op de grond.

Maar ik weet het natuurlijk niet. Het kan ook zijn dat ze ergens anders overwinterd hebben, en inmiddels een beter zomerverblijf hebben gevonden. Dat is het lastige met vleermuizen: we weten nooit echt hoe het met ze gaat, omdat we ze zo zelden zien.

Een lucht vol vleermuizen

Die spouwmuren worden groter en groter, ze groeien uit tot een symbool voor hoe mensen in de wereld staan: met de beste bedoelingen (want: energiezuinig) het huis isoleren, zonder te onderzoeken of er een familie in leeft, omdat het gewoon niet bij ons opkomt, omdat we ervan uitgaan dat als er een probleem was, wij het wel zouden hebben gezien.

Een vogelaar legde me ooit uit dat het grootste probleem van klimaatdestructie de geleidelijkheid ervan is. Je went aan de veranderende wereld, omdat je zelf ook verandert. Zo lijkt het soms alsof het een metaforische lijn in je eigen verhaal wordt; de koude winters waarin het meer dan tien graden vroor, horen in mijn kindertijd, bij de slee waarop mijn ouders me naar de basisschool trokken, net zozeer als de hete, droge zomers van de afgelopen tien jaar bij het vrije gevoel van jongvolwassenen passen.

Ergens, instinctief, voelt het logisch dat de wereld met je mee verandert, net zoals het logisch voelt om bang te zijn voor die kleine flapperende beestjes, die met hun mond wijd opengesperd door de hemel scheren.

Ook deze zomer breng ik weer in de hangmat door. Na het avondeten trek ik hem uit de kast, rol hem uit, en hang hem aan de haken van het balkon. Uren kan ik blijven liggen, maar er is nog maar weinig dat me afleidt van mijn boek. Natuurlijk, er zijn nog duiven, kauwen en soms een zwaluw, maar de lucht voelt leger. Alleen de vliegtuigen, die weer heen en weer trekken alsof corona nooit heeft bestaan, trekken een voor een diagonalen door de lucht.