Een draak van een schilderij heeft het leven gered van acteur Bill Murray. Hij vertelt er luchtig over, tijdens een persconferentie voor een filmpremière enkele jaren terug. Ik weet niet bij welke film het gesprek is opgenomen – het videofragment zag ik langskomen op Twitter en sindsdien staat 'Bill Murray Admits A Painting Saved His Life' opgeslagen als bladwijzer in mijn webbrowser – voor je weet maar nooit.


Als beginnend acteur voelde Murray zich zo slecht, dat hij bij een van zijn eerste opvoeringen in Chicago gewoon wegliep. 'Ik realiseerde me dat ik de verkeerde kant op ging, niet dat ik de verkeerde route naar huis liep – maar dat ik het verlangen om te blijven leven was verloren.' Murray lacht erbij, maar je vóélt dat hij eerlijk is.

Zo erg als Murray was ik er zeker niet aan toe, toen ik een nieuwe installatie van geluidskunstenaar Susan Philipsz bezocht.

Murray loopt richting een meer: 'Als ik dan toch hier en nu sterf, dan kan ik daar misschien even blijven dobberen.' Per toeval komt de worstelende acteur vervolgens in een museum terecht, waar hij Het lied van de leeuwerik ziet, een schilderij van Jules Breton. Het toont een boerin op blote voeten op een veld, terwijl achter haar de zon opkomt. Murray: 'Ik zag het en ik dacht: daar is een vrouw die ook niet zoveel perspectief heeft, maar de zon komt op, hoe dan ook. En dan heeft ze een nieuwe kans. Ik denk dat het me het gevoel gaf: ik ben ook iemand, en ik krijg een nieuwe kans, elke dag dat de zon opkomt.'

Ik heb het schilderij opgezocht, het valt me niet mee: ik vind het sentimenteel, kitsch. Maar voor Bill Murray was het blijkbaar het juiste kunstwerk op het juiste moment. Het gaf hem inspiratie. Het redde zijn leven.

Zo erg als Murray was ik er zeker niet aan toe, maar toch behoorlijk somber van een cocktail van winterblues en pandemiemoeheid ga ik, toen het nog mocht, naar de Oude Kerk in Amsterdam, om te luisteren naar een nieuwe installatie van geluidskunstenaar Susan Philipsz.

Susan Philipsz, The Fall, 2021 in de Oude Kerk in Amsterdam

Nu is de Oude Kerk – het oudste gebouw van Amsterdam, gebouwd als katholieke kerk, tijdens de beeldenstorm in 1566 van vrijwel alle decoratie ontdaan – sowieso een gebouw als een troostende omhelzing, het komt door de ruimte, de overweldigende architectuur en het besef dat mensen al eeuwen daar komen om getroost te worden – een gevoel van diepe geschiedenis. Je bent niet alleen, je bent nooit alleen.

Het werk van Philipsz doet daar nog een schepje bovenop: uit een handvol kunststof lichtgroene silo's klinkt gezang. IJle, kwetsbare stemmen, die alle ruimte krijgen tussen de gewelven. De muziek is een bewerking van een lied van de beroemde Nederlandse componist Jan Pieterszoon Sweelinck (1561-1621), die bijna zijn hele leven lang organist was van de Oude Kerk. Dit jaar is het 400 jaar geleden dat hij in diezelfde kerk werd begraven.

Mein Junges Leben Hat Ein End heet het lied – zou Jan Sweelinck honderden jaren geleden net zo somber zijn geweest als Bill Murray?

Voor haar versie zong Philipsz de tekst zelf in. Je hoort overduidelijk dat ze geen professioneel zangeres is. Tastend reist haar stem vanuit de onzichtbare speakers in die groene silo's door de grote kerkruimte. Het klinkt magistraal, de schoonheid van die ongetrainde stem die de ruimte overneemt, het is alsof Philipsz wil zeggen: ik ben er misschien niet op voorbereid, maar ik doe het wel. Tegen de klippen op.

Als ik weer naar buiten stap, komt de zon niet op, ik hoor geen leeuwerik zingen (dat zou té sentimenteel zijn) maar plotseling is wél weer alles mogelijk.