Twaalf jaar lang werkte ze in de schuldhulpverlening. Ze zag hoe protocollen en regelgeving tekortschieten, én ontdekte wat wel werkt. Van bestraffen naar bemoedigen, en altijd op zoek naar verbinding. Een gesprek over armoede, gelijkheid en verkiezingen – in het kader van de Dag van de Empathie – met Jurenne Hooi.


Twijfelen over welke politieke partij vandaag haar stem krijgt, doet Hooi niet. Ze heeft de programma's nauwkeurig getoetst op de onderwerpen die ze belangrijk vindt. Met stip bovenaan: onderwijs, kansengelijkheid en duurzaamheid. 'Partijen die daarmee aan de slag gaan, hebben mijn sympathie. Verder vind ik een toegankelijke arbeids- en woningmarkt voor iedereen erg belangrijk. En een betrouwbare overheid, want in mijn vorige functie heb ik kunnen zien hoe die overheid mensen kan vermorzelen.' In die vorige functie was ze bestuurder-directeur bij stichting MaDi, die inwoners van Amsterdam-Zuidoost en Diemen ondersteunt bij financiële, sociaal-maatschappelijke en persoonlijke problemen.

Jurenne Hooi

'In de twaalf jaar dat ik daar werkte, heb ik kunnen zien hoe enorm de kloof is tussen politiek en burger, want ik stond er middenin. Politici hebben niet op het netvlies wat er echt speelt onder de mensen. Regels, hoe goedbedoeld ook, worden achter een tekentafel bedacht, maar haken niet aan op de leefwereld van de mensen voor wie ze bedacht zijn.' Wie last heeft van armoedestress, ontdekte Hooi, zit al klem en is niet gebaat bij dwingende wet- en regelgeving. Bij MaDi werd gezocht naar een meer bemoedigende aanpak, die mensen de controle moest teruggeven over hun leven. Het werkte.

Het is om die reden dat Hooi pleit voor een maatschappelijke stage voor beleidsmakers en politici, zodat ze oog krijgen voor de praktijk waarvoor het beleid gemaakt wordt. Maar om de kloof te slechten moet er ook iets gedaan worden aan politieke representatie, zegt ze. 'Als ik naar debatten op televisie kijk, zie ik niemand die op mij lijkt. Naar welk Nederland ben ik aan het kijken, vraag ik me dan af. Het is zo'n gemiste kans dat de Tweede Kamer geen afspiegeling is van de maatschappij. Ik verbaas me er nog steeds over dat een zogenaamd vrijgevochten land nog nooit een vrouwelijke premier heeft gehad.'

Hooi wordt in 1965 geboren op Curaçao, in een gezin met zeven kinderen. Het belang van onderwijs wordt haar met de paplepel ingegoten: 'Kennis is macht, zei mijn vader altijd, die zelf niet de kans had gehad om op jonge leeftijd te studeren. Hij had vijf dochters en twee zoons. Vooral zijn dochters moesten van hem naar de universiteit.' En dus vertrekt ze als 19-jarige naar Maastricht, om gezondheidswetenschappen te studeren. 'Onbevangen, maar gewaarschuwd voor het systeem van de geprivilegieerden', schrijft ze daarover in haar Tulalezing uit 2017.

'Ik vond onlangs een krantenartikel terug uit De Limburger uit die tijd, waarin ik geïnterviewd werd over ervaringen van mijzelf en van andere studenten uit het Koninkrijk die ik begeleidde. Mensen vroegen aan ons of we in bomen woonden en ik werd gevraagd of ik Zwarte Piet wilde spelen voor de vakgroep.' Racisme, zegt Hooi, is niet iets van nu. Wel is het als maatschappelijk probleem vele malen zichtbaarder geworden. 'Wat ik heel goed vind, is dat het niet meer iets is van alleen zwarte mensen, maar dat het een breed palet van Nederlanders aangaat, of ze nu wit, zwart of geel zijn. Het steunt me dat er steeds meer mensen zijn die vinden dat het anders moet, want je moet met elkaar in verbinding blijven.'

Zonder gesprek is die verbinding niet mogelijk, zegt ze daarover. 'Steeds meer van mijn witte vrienden en collega's stellen me gerichte vragen over racisme. Vaak met een zekere gene, maar die schroom is niet nodig. Het is goed dat die vragen gesteld worden, want dan kan ik vertellen wat mijn ervaringen zijn. Je moet de wantoestanden aan de kaart stellen en bespreekbaar maken. Ik ben daar niet beledigd over, want ik merk dat tijdens die gesprekken verbinding ontstaat. Dat is nodig, want de polarisatie is al veel te groot. Daar moeten we vanaf, want iedereen heeft recht op een gelijkwaardig bestaan.'

Toch is er nog een lange weg te gaan, zegt Hooi. Ze ziet de ongelijke kansen op de arbeidsmarkt, het etnisch profileren door politie en de Toeslagenaffaire, waarvan ze de slachtoffers uit eerste hand leerde kennen in haar tijd bij MaDi. Vorige jaar riep ze premier Rutte middels een ingezonden brief in Het Parool op om met een nationaal actieplan tegen rassendiscriminatie te komen. 'Waar ik me de afgelopen 10 jaar ontzettend aan geërgerd heb, is dat ik te horen kreeg dat ik me maar moet invechten in het systeem, als zwarte Nederlandse vrouw.'

Ik heb me ingevochten, als zwarte Nederlandse vrouw. Maar niemand heeft me gevraagd wat me dat gekost heeft.

Niet dat ze zich niet ingevochten heeft, benadrukt ze. 'Ik heb het beste uit mezelf naar boven gehaald. Ik weet dat ik slachtoffer van het systeem ben, maar weiger om mezelf te vereenzelvigen met de rol van slachtoffer. Als iemand zegt dat ik iets niet kan, dan ga ik er twee keer zo hard voor werken. Omdat de startlijn voor mij ergens anders ligt dan voor iemand als Rutte, heb ik altijd harder moeten lopen. En niemand heeft me gevraagd wat me dat allemaal gekost heeft, hoeveel energie daar wel niet in is gaan zitten. Je kunt niet verwachten dat iedereen die energie kan opbrengen.'

En dus moeten de startlijnen op gelijke hoogte komen, de weeffouten uit het systeem gehaald, benadrukt Hooi. 'En het gaat niet alleen om racisme, maar ook om sociaaleconomische status. Het gaat ook om Henk en Ingrid uit Amsterdam-Noord, of Frank en Bea uit Leeuwarden of Venlo, mensen die niet geprofiteerd hebben van de welvaart van het neoliberalisme. We zien hoe armoede zich van generatie op generatie herhaalt. En we zien nu hoe pijnlijk de verschillen door corona uitvergroot worden. Hoe kinderen die in armoede opgroeien, achterblijven op school. In zo'n maatschappij moet je niet willen leven.'

In de eerdergenoemde Tulalezing spreekt Hooi de hoop uit dat we over een aantal generaties in een echt inclusieve samenleving leven. 'Of dat snel genoeg is? Nee. Maar we moeten realistisch zijn. Ik zie dat er een beweging op gang is gekomen die niet meer terug te draaien is. Maar het is met vallen en opstaan. Mijn hoop is gevestigd op generatie Z, de jongeren die unapologetic zijn. Dat was in mijn tijd niet. Ik ben geraakt als ik zie hoe ze de geschiedenis induiken. Ik ga Rutte, of jou, of wie dan ook niet aanspreken op het feit dat mijn overgrootouders tot slaaf gemaakt zijn. Maar ik wil er wel het gesprek over aangaan, ik wil de verbinding zoeken. Ik wil dat je ziet dat het doorettert in de systemen van nu. Mensen zeggen vaak dat het zo lang geleden is, maar mijn overgrootmoeder is geboren als tot slaaf gemaakte. Voor mij is het heel dichtbij.'