In het weekend van Wereld Dierendag wijdde NRC Handelsblad een weekendbijlage aan vissen. Ik zag het zilvergrijze dier op de cover voor ik de hengel herken waaraan hij uit het water werd getrokken. 'Van haak tot bord' luidde de kop.


Ik houd ontzettend veel van vissen: niet om op te eten, niet om in een aquarium te houden, niet om een haak door de lip te slaan en ze dan weer 'vrij te laten', maar gewoon, zoals andere mensen van honden houden, of van vogels.

Voor ik verder ga een korte waarschuwing: wie zich eenmaal verdiept in vissen, komt in een verwarrende, onbegrijpelijke wereld terecht.

Vissen bestaan namelijk niet. Tenminste, niet in de biologische zin van het woord. De meeste dieren die wij 'vissen' noemen, delen geen verwantschap. Een tonijn en een haai lijken enorm op elkaar; het zijn grote roofvissen, met grofweg dezelfde vormen, maar ze hebben totaal verschillende voorouders. There's no such thing as a fish.' Op het eerste oog lijkt dit misschien een lollig feitje voor bij de borrel, maar het is meer dan dat: het laat zien hoe weinig we begrijpen van wat er onder water leeft – of wie.

Vissen worden, over het algemeen, niet gezien als volwaardige dieren. Er zijn genoeg vegetariërs die wel 'gewoon' vis eten. De vis is niet zo aantrekkelijk als een biggetje of koe. Vissen missen de aaibaarheidsfactor, maar ook de ledematen, de gezichtsuitdrukkingen, de manier van ademhalen – het lijken koelbloedige, zwijgende aliens. Wie zou verwachten dat ze gevoel hebben, relaties aangaan, keuzes maken of verschillende persoonlijkheden hebben?

En toch blijkt dat allemaal aan de hand te zijn.

Vaak is de eerste vis die je als mens tegenkomt de goudvis, meestal in z'n eentje, in een kleine, schaars ingerichte kom. Het oranje beest hapt een beetje, zwemt wat rond, en kijkt glazig voor zich uit. Geen wonder dat we zijn gaan geloven dat ze een geheugen hebben van dertig seconden.

Uit onderzoek is echter gebleken dat het geheugen van een goudvis vele malen beter is. Wetenschappers lieten goudvissen los in een aquarium met verschillende gekleurde buisjes, waarvan sommige kleuren eten bevatten, en andere niet. Een jaar later herhaalden ze dit experiment met een paar van dezelfde goudvissen, en een paar nieuwe. De oudgedienden zwommen meteen naar hun voormalige buisjes – ze herinnerden zich de kleur van het buisje waar ze een jaar eerder voedsel in hadden gevonden.

Zolang we goudvissen in hun eentje in kleine kommen houden, zullen we ook nooit zien waar ze toe in staat zijn: dat ze tientallen jaren oud kunnen worden, elkaar helpen in geval van nood, en de verschillende dieren (en mensen) in hun huishouden kunnen leren herkennen. We kijken niet echt, als we naar de vis kijken, en daardoor missen we zo ontzettend veel.

Neem de kogelvis. De meeste mensen kennen het als een komisch beestje dat zichzelf bij gevaar helemaal opblaast, of als die levensgevaarijke Japanse delicatesse. Maar wie heeft geregistreerd dat het diezelfde kogelvis is die in dit viral filmpje van de BBC een mandala in het zand maakt?

Een vis kan kunstenaar zijn, of boer. Zo zie je in een andere aflevering van Blue Planet II hoe de garibaldivis een veld met zeewier onderhoudt. Het zeewier trekt kleine beestjes aan die de garibaldi eet, daarom onderhoudt hij het groen, en verwijdert grazende zee-egels. Er zijn gevallen bekend van vissen (zoals de choerodon schoenleinii) die gereedschap gebruiken om mossels open te krijgen, en vissen die nesten bouwen voor hun eieren van steentjes, waterplanten en koraalresten.

Vissen praten met elkaar, niet alleen binnen hun eigen soort, maar ook met andere vissensoorten. Als de rode koraalbaars aast op een vis die zich in een krappe holte ophoudt, waar ze er niet bij kan, haalt ze er een murene bij. Door op een bepaalde manier met haar lijf te schudden, communiceert de koraalbaars waar het visje zit, zodat de murene, met z'n dunne, slangachtige lijf, door de kleine gaatjes kan jagen om het prooidier vrij te krijgen. Ze verdelen de buit, zoals mensen die met honden of valken jagen.

En de poetslipvis, die je misschien wel kent van zijn bekende poetsstation, waar hij de parasieten van grotere vissen af eet, is niet alleen een sociaal ondernemer, maar blijkt ook in staat om zichzelf in de spiegel te herkennen. De spiegeltest is eerder succesvol afgelegd door dolfijnen en chimpansees, en wordt gebruikt als bewijs dat een niet-menselijk dier over zelfbewustzijn beschikt.

Dit alles is nog maar het begin. We doen nog maar enkele decennia serieus onderzoek naar het gedrag van dieren die in het water leven. Er zijn op dit moment ongeveer 30.000 soorten vissen bekend, waarvan er een paar honderd daadwerkelijk zijn beschreven. De vraag is of we de tijd nog hebben om erachter te komen wat voor dieren het zijn, wat ze doen, of hoe ze leven. Omdat we in de zeebodem boren naar brand- en grondstoffen. Omdat de oceanen verzuren. Omdat de aarde opwarmt.

En omdat mensen in gigantische getalen vissen blijven eten. Stel je voor dat je over straat loopt en plotseling wordt meegesleurd door een gigantisch net. Je zit niet alleen in het net; je wordt samengedrukt met allemaal vreemden die je niet kent, en een rottweiler, en een paar ratten en kraaien en misschien wel een verdwaalde neushoorn uit de dierentuin. Platgedrukt in het net hap je naar lucht, en probeer je de rest aan de kant te duwen, wanneer jullie ineens in dat net met z'n allen onderwater geduwd worden, tientallen meters diep. Je trommelvliezen scheuren, je longen vullen zich met water, en zo verdrink je, in een golf van angst en paniek.

We weten dat vissen een vorm van (zelf)bewustzijn hebben, pijn ervaren en lijden, gereedschap gebruiken en relaties aangaan. Is het dan nog te verantwoorden om deze dieren massaal blijven vangen, martelen, en eten?

Dat is ongeveer hoe de laatste momenten in het leven van een vis eruit zien – of, zoals Teun van de Keuken het treffend samenvat in deze aflevering van Keuringsdienst van Waarde: 'Je kunt ze strippen (levend villen), je kunt ze steken (doodbloeden), ze kunnen sterven van de kou, ze kunnen stikken omdat ze geen adem meer kunnen krijgen, of ze kunnen geplet worden onder het gewicht van de andere vissen.'

Als we weten dat vissen dieren zijn met een vorm van (zelf)bewustzijn, die pijn ervaren en lijden, die relaties met andere vissen aangaan en die relaties in stand houden, dat sommige vissen met gereedschap werken en andere vissen kunst maken, is het dan nog te verantwoorden om deze dieren massaal blijven vangen, martelen, en eten?

Er wordt geschat dat, als we op deze voet doorgaan, de oceaan in 2048 leeg zal zijn. Dat wil zeggen: wellicht hebben we dan nog wel enorme kwallenplagen en hier en daar een schelpdier. Maar de vissen, de zeezoogdieren en de octopussen, die zullen zijn uitgestorven. Over 28 jaar. De meesten van ons gaan dat meemaken.

Het is de vraag of dat proces nog te stoppen is. Net als bij klimaatvernietiging zijn er teveel verschillende, elkaar versterkende, factoren. Maar het begint ermee dat we anders gaan kijken naar vissen. Dat we onze kortzichtige categorieën overboord gooien en echt leren kijken naar het leven onder water. Er bestaat een wereld vol buitenaardse wezens waar we nauwelijks iets van af weten, en hij is dichterbij dan we tot nu toe dachten.

Nikki Dekker werkt momenteel aan een roman over onze relatie tot vissen en tot elkaar, die zal verschijnen bij De Bezige Bij.